Andermaal een
aflevering van deze serie waarin Hans Knot U dit keer mee terug neemt
naar het jaar 1968. De tragische beelden uit Tsjecho Slowakije komen direct
terug bij velen als het jaartal 1968 wordt genoemd, ook voor de radioliefhebber
is 1968 een jaartal waaraan het tijdelijk verdwijnen van Radio Caroline bij
hoort, evenals dat zowel Robert Kennedy als Martin Luther King vermoord werden.
1968 was tevens het jaar dat in Canada Pierre Trudeau werd benoemd en de
Olympische Zomerspelen in Mexico City werden gehouden. Zo maar enkele grote
momenten uit het jaar 1968. Daarnaast komen vele kleine dingen, die al lang
vergeten waren, voorbij en duikt hij terug in eigen persoonlijke herinneringen.
In Nederland was het jaar 1968 begonnen middels een beperkt aantal huisgezinnen
dat de beschikking had over een eigen kleurentelevisietoestel. Een maand eerder,
december 1967, werd de kleurentelevisie, een Nederlandse uitvinding, in ons land
geïntroduceerd. Een kostbare aanschaf was de kleurentelevisie en dus duurde het
tot in het midden van de jaren zeventig dat de kleurentelevisie in ons land de
overhand kreeg. Ik herinner me nog heel goed dat een handelaar in
televisietoestellen, tevens Golden Wonder Chips vertegenwoordiger, in zijn
voorkamer op het Floresplein in Groningen een kleurentelevisie had staan en via
folders de buurt informeerde over zijn nieuw kijkobject. Tientallen mensen
stonden er telkens, als het toestel aanstond, voor het venster te kijken.
Ondertussen konden ze uitrekenen hoeveel maanden het wel niet zou duren alvorens
men het geld bijeen had gespaard voor de aanschaf van de KTV. Eigenlijk dient
gesteld te worden dat in de maand september 1967 de kleurentelevisie al werd
geïntroduceerd, daar op de Firato tentoonstelling in de Amsterdamse RAI de
nieuwe uitvinding als absolute hoogtepunt werd vertoond. Het had heel wat jaren
geduurd voordat het werd geïntroduceerd want in werkelijkheid was met binnen het
Philipsconcern al sinds 1941 bezig met het onderzoek naar de mogelijkheden tot
ontwikkeling van de kleurentelevisie, ver voordat de televisie in Nederland werd
ingevoerd.
Op internet is de introductie van de kleurentelevisie op de
Firato 1967 terug te zien:
http://www.geheugenvannederland.nl/?/en/items/NIBG01:BG_15743
Op 14
oktober 1964 begon men bij Philips met experimentele kleurenuitzendingen vanuit
het Natuurkundig Laboratorium. In januari 1967 gaf de overheid toestemming om
vanaf oktober dat jaar de experimentele kleurenuitzendingen landelijk voort te
zetten en vanaf 1 januari 1968 de kleurentelevisie definitief in te voeren. De
eerste buitenreportage was de intocht van Sinterklaas in Medemblik op 18
november 1967. De kleurenuitzendingen konden in het begin alleen via de
reportagetrein worden uitgezonden, omdat die als enige was uitgerust met
kleurencamera's. Een kleurentelevisie kostte in die tijd circa 3000 gulden (1360
euro). Aan het eind van 1967 waren er circa 10.000 kleurentelevisies in
Nederland. In 1968 werden er 35.000 verkocht en in het eerste kwartaal van 1969
waren dit al 50.000.
Het jaar 1968 zet me in gedachten meteen terug naar het
feit dat ik destijds qua leeftijd al aardig opschoot en al aardig tegen het
einde van het tienerschap zat. Niet dat ik me daar destijds op enige wijze druk
over heb gemaakt. Ik was 18 jaar en voelde me al heel wat, maar beleefde ook
1968 als een tiener volop in bloei en ging genieten van alle mooi momenten, die
voorbijkwamen. Maar ik stond ook stil bij datgene in de wereld gebeurde en dat
zeker niet in de categorie vrolijk viel. Ik was al een aantal jaren aan het
werk, waarbij mijn eerste werkgever het Provinciale Elektriciteitsbedrijf voor
Groningen was. Het kantoor waar ik werkte was gevestigd op het terrein van de
Helpman Centrale in Groningen. Drie verdiepingen hoog, vast gebouwd aan het
toenmalige magazijn van het bedrijf. Een rooskleuring stenen gebouw dat heden
ten dage wordt gebruikt door ondermeer een notarisbureau en is gelegen pal aan
de spoorlijn richting het Hoofdstation in Groningen. Zoals destijds gebruikelijk
werd je als schoolverlater, voorzien van een middenstandsdiploma, eerst maar
eens op de stoel van de ‘jongste bediende’ gezet. Dat betekende in mijn geval in
het eerste jaar heel veel boodschappen doen en de afdeling Boekhouding, waar
Piet Bolhuis de leiding had, met hand en spandiensten ondersteunen. Boodschappen
doen was een klus die dagelijks diende te geschieden en voornamelijk werden
verzameld door hoofdkassier mejuffrouw de Vries en haar assistent Jan Pruim uit
Assen. Het was de tijd dat de eerste kantoorcomputers waren ontwikkeld en dus
werd op het bedrijf de ponskaart driftig gebruikt door diverse afdelingen. Daar
het bedrijf nog geen eigen computer had, en dan heb ik het over het tijdperk van
de zaal grote computers, dienden de ponskaarten verwerkt te worden in het
kantoor van Honeywell Bull, destijds gevestigd aan het Kwinkenplein, in het
hartje van de stad Groningen. Verwerking van een vijftal dozen duurde ongeveer
twee uren, waarna je de uitdraai meekreeg met duizenden getallen die of op de
boekhouding, de salarisverwerking of de meterstanden sloegen. Als er niet te
veel andere boodschappen waren pleegde ik wel eens, samen met een andere jongste
bediende, een korte middag voorstelling in één van de bioscopen bij te wonen.
Het was trouwens nog de tijd dat lang niet iedereen de beschikking had over
een eigen bankrekening of gironummer. Het PEB Groningen had een heleboel
loonwerkers in dienst binnen de verschillende kabelploegen in de provincie. Het
merendeel van deze werkers werd wekelijks betaald. En terugdenkend gebeurde dit
betalen wel heel dubbelzinning. In de ochtend van de betaaldag ging de assistent
kassier Pruim, of ik bij zijn afwezigheid, begeleid van een chauffeur van het
bedrijf met een aktetas naar de Algemene Bank Nederland, gevestigd aan de
Vismarkt. Telefonisch was al geregeld dat de ettelijke duizenden guldens klaar
lagen en dus was het snel weer naar Helpman. Met drie man werden vervolgens alle
te betalen weeklonen geteld en verdeeld over doorzichtige zakjes. Twee keer
controle of alles goed was gegaan en vervolgens verpakt in bruine enveloppen en
voorzien van een heerlijk ouderwetse lakstempel. Een doordringende geur van
verbrand lak hing vervolgens uren in de kantoorruimte.

LAKSTEMPEL
De verzegelde enveloppen werden vervolgens naar het
postkantoor aan de Helperbrink gebracht waar ze als ‘aangetekend’ werden
geregistreerd. Vreemd genoeg gebeurde dit bezorgen op het postkantoor door één
van de jongste bedienden. Dus op de fiets ongeveer 7 minuten richting het
Postkantoor. Niemand wist immers wat er in die tas zat, achterop de dienstfiets
vastgebonden. Je stond er niet bij stil wat er allemaal kon gebeuren onderweg.
Het was nog een tijd dat er veel minder over overvallen en dergelijke werd
geschreven. Eén keer ging het echter goed fout, een voorval dat ik nooit in mijn
loopbaan bij het PEB van Groningen, dat later via een fusie EGD (Elektriciteitsbedrijf
voor Groningen en Drenthe) heette, ooit aan mijn collega’s heb verteld. Bij het
postkantoor aangekomen bleek dat de tas met duizenden guldens plotseling was
verdwenen van de fiets. Nooit meer ben ik zo in paniek geraakt als die
vrijdagochtend. Terugrijdend op de Helperbrink richting elektriciteitscentrale
vond ik de tas terug. Niet veel later zou de eveneens aan de Helperbrink wonende
Bedrijfsarchivaris van het PEB, Gerrit Huizinga, mij uitnodigen en me warm maken
voor het volgen van een opleiding tot Bibliothecaris, gevolgd door die voor
Bedrijfsarchivaris A en Documentalist (met historische achtergrond). Zo, de
lezer begrijpt dus nu hoe het mogelijk is dat ik altijd weer in de historie duik.
Met dank aan Gerrit Huizinga.
Voor vele Amsterdammers, maar ook
tienduizenden andere Nederlanders, is de datum van zaterdag 30 maart 1968 in hun
geheugen gegrift als de datum waarop slechts een aantal van hen kon beleven dat
het kosmisch ontspanningscentrum Paradiso in Amsterdam werd geopend. De
gemeenteraad van Amsterdam, die zware tijden doormaakte met de provobeweging en
de vele hippies, die uit alle uithoeken van Nederland en ver daarbuiten de
Nederlandse hoofdstad bezochten, besloot in 1967 dat er een creatieve vrijplaats
diende te komen voor allerlei groeperingen vallende onder de categorie ‘jongeren’.
Het duurde velen te lang en het was Willem de Ridder, die ook al furore maakte
met het blad ‘Hitweek’ die vond dat er sneller actie diende te worden ondernomen
dat de gemeenteraad nastreefde. Samen met hem bevriende kornuiten kraakte hij
het gebouw, dat eerder werd gebruikt als Verenigingsgebouw van de Vrije Gemeente,
aan de Weteringeschans.

PARADISO (FOTO: ROB OLTHOF)
In deze tijd zouden we het hebben over de geschiedenis van
Paradiso als het gebouw dat beschouwd werd als absolute Poptempel van Nederland
waar het neusje van de zalm optrad en nog steeds optreed. In de ogen van de ‘krakers’
was het echter een kwestie van zogenaamde Happeningachtige avonden, gevuld met
‘theater en de vermaeck’. Het was de tijd van bloemen, vloeistofdia’s die
tijdens optredens op de achtergrond werden geprojecteerd, de magische acts, het
gebruik van hasj en de naaktdansers die schenen door te gaan totdat iedereen met
een positief gevoel huiswaarts of naar het park was gegaan. Rob Olthof was een
van de eerste bezoekers en heeft zo zijn herinneringen: ‘Ja, dat klopt. In die
tijd kwam ik regelmatig op de Hitweek burelen in Amsterdam Zuid, waar Marjolijn
Kuysten en Willem de Ridder de krant in elkaar aan het zetten waren middels
zogenaamd knip en plakwerk. Er was in die tijd nog geen sprake van
computergebruik, laat staan van mooie opmaakprogramma's. Marjolijn vertelde me
op een dag in 1968 dat de voormalige kerk bij het Leidseplein geschikt werd
gemaakt voor ‘alternatieve jongerenprogramma's’, zoals niet veel later ook werd
gemeld in het blad Hitweek. De allereerste avond in Paradiso heb ik zelf niet
meegemaakt, maar kort daarna bezocht ik het wel om groepen als The Moody Blues,
Golden Earrings (met een ‘s’ nog in die tijd) Short 66, Man, Cuby and the
Blizzards en dergelijke te zien optreden.
De lucht in Paradiso was bezwangerd
met hasj en wierookgeur, dus na afloop stonk je een uur in de wind. Op het
toneel deed Phil Bloom wat half blote dansjes met een laken om haar lijf en soms
was er nog een ander dansclubje te ontwaren. De meisjes uit het publiek hadden
vaak bloemen in het haar en de jongens droegen bloementjes broeken, eigenlijk
geen gezicht. Maar ja het was de tijd van de flower power. Paradiso was voor mij
Woodstock in het klein en voor eeuwig onvergetelijk. De laatste keer dat ik in
Paradiso was - nu ruim 4 jaar geleden- was er een optreden van Cuby and the
Blizzards met ‘Groeten uit Grolloo’ een programma dat verder met diverse andere
artiesten werd gevuld. Paradiso is en blijft ‘Het Alternatief Sentrum’, weet je
wel!’
Maar er waren meer nieuwe zaken die plots de publicitaire
belangstelling kregen in 1968, zoals het gezelschap ‘Harlekijn’. Wees eerlijk
als je het in die dagen over de sterren van het Nederlandse cabaret had dan
kwamen de namen van het drietal Wim Kan, Wim Sonneveld en Toon Hermans te
voorschijn. Immers waren deze drie jarenlang onbetwist de grote drie van de
Nederlandse kleinkunst. In studentenkringen in Utrecht was er echter een brok
energie die ondertussen vaak op het toneel sprong om met een volstrekt eigen
stijl en een uitgebalanceerd programma, hoewel nog studerende op het
Conservatorium, probeerde een goede vierde te worden in Cabaretland. Hij wist
begeleid door vijf muzikale afgestudeerden van hetzelfde Conservatorium in zijn
eerste professionele jaar een razendsnel programma neer te zetten gevuld met
chansons, volksliedjes en voor velen briljante parodieën. Op die manier wist
vooral Van Veen vooral de aandacht naar zichzelf te trekken. In de pers werd
ondermeer Van Veen omschreven als ‘een fenomenaal gebruiker van zijn stem,
plastische mogelijkheden en zijn elastieken lichaam, waarvan hij de bewegingen
perfect beheerst.
De eerste van de grote drie, Wim Kan, legde zijn verbazing
rond de nieuwkomer Herman van Veen als volgt neer: ‘’Deze Herman van Veen deed
me van de lach bijna van mijn stoel tuimelen. Een prachtig talent. Hij heeft een
zeer goede toekomst in dit vak in handen.’ Herman van Veen was destijds al sinds
zijn prille jeugd onbewust bezig geweest met toneelspel en heeft nadat hij de
middelbare school had doorlopen enorm getwijfeld toen er een vervolgopleiding
gekozen diende te worden. Of de toneelschool of het conservatorium, wat de
laatst genoemde werd. Hij kreeg een opleiding bestaande uit vioolspel, zang en
opleiding tot muziekleraar.

HERMAN VAN VEEN
Het was op het conservatorium in Utrecht dat Herman van Veen
zich ook ging specialiseren in de zogenaamde kleinkunst. Hij leerde er pianist
Lourens van Rooyen kennen en tezamen hebben ze jarenlang opgetreden met
parodieën op de klassieke muziek en kregen inderdaad in 1968 landelijke
erkenning. Harlekijn stapte in de openbaarheid met een theaterprogramma van
parodieën, chansons en liedjes in een raam van dwaze situaties, dat werd
geregisseerd door toenmalige VARA medewerker Nico Knapper. In 1968 zag van Veen
zeker nog toekomst voor hem en zijn collega’s in het theater: “Dit ondanks de
opkomst van de televisie of, naar mijn mening, dankzij de steeds groeiende
populariteit van de televisie.” Hij had dus al vrij vroeg goed door wat de
invloed van het regelmatig worden genoemd op de televisie kon zijn op de loop
van de bezoekers van het theater in het algemeen. De rest is geschiedenis als
het gaat om de loopbaan van Herman van Veen, hoewel zijn succesrijke carrière
ruim veertig jaar later nog steeds doorgaat.
Het ging ook goed met de
Nederlandse producties op het gebied van bromfietsen in Nederland. De ingetogen,
voornamelijk zwart gespoten, rijwiel met hulpmotor had plaats gemaakt voor tal
van kleurrijke hippe bromfietsen waarbij de doelgroep niet alleen langer de
jongens waren maar zeker ook de jonge vrouwen. De brommer was duidelijk een
trendartikel geworden waarbij de Nederlandse fabrikanten ook de nieuwste grillen
volgden. De brommer werd steeds meer een gedurfd body in hippe kleren want de
jeugd had de nieuwste modellen ontdekt als nuttig en aangenaam vervoermiddel dat,
mits men met zorg een keuze maakte, aan de status van de persoon een versterking
kon brengen. Bovendien was de potentiële koper in de luxe situatie gekomen een
veel sterkere koopkracht te hebben dan die vijf jaar eerder waren geboren en een
soortgelijke machine vijf jaren eerder wilden aanschaffen. Het resultaat was er
naar want cijfers uit juni 1968 gaven aan dat 430.000 jongens en 220.00 meisjes
inmiddels in het bezit waren van een hippe kleurige brommer. Het
verwachtingspatroon was dat in de tweede helft van 1968 nog eens 150.000
exemplaren verkocht zouden worden. Als je het hebt over Nederlandse brommers uit
die tijd dan wordt al vrij snel het merk Tomos genoemd, afkomstig uit de
toenmalige fabriek in het Gelderse Epe. Ikzelf was ook een bereider van dit
hippe merk. Maar er waren toch nog meer Nederlandse fietsfabrieken die zich op
de bouw en verkoop van de bromfiets hadden gestort. De Gazelle fabriek, die in
het Gelderse Dieren was gevestigd, kwam bijvoorbeeld met de Gazelle Comet, die
destijds voor 1158 gulden te koop was.

KAPTEIN MOBYLETTE
Bij Kaptein in Amsterdam kwam men in 1968 ondermeer met de Mobylette Minicady, compleet met boodschappenmandje voorop, waarbij een opmerkelijke prijs van 440 gulden aan gekoppeld was. Sparta Rijwielen was gevestigd in Apeldoorn die met de Spartamatic op de markt kwam, een brommer met een automatische schakeling te koop voor 459 gulden. Uit dezelfde fabriek kwam de aanzienlijk duurdere Sparta Grandsport, met vier versnellingen maar een veel duurdere aanschafprijs van bijna 1149 gulden. Eindelijk een fabriek die niet in Gelderland was gevestigd, Magneet Rijwielen en motorenfabriek in Weesp. Naast het gegeven dat deze onderneming importeur was van Peugot maakten ze zelf ondermeer de Magneet Thunderbird, met vier versnellingen voor 1149 gulden. En herinner je nog hoe vaak je stil hebt gestaan in die tijd zonder benzine of je helemaal zonder geld zat om je tank bij te vullen. We zullen de vraag onbeantwoord laten en een fleurige dame vragen een tweetal brommers van die tijd te promoten.

SPARTAMATIC
In de zomer van 1968 waren er – gelijk aan ieder jaar sinds de invoering van het Betaald Voetbal – de nodige transfers te melden in de dagbladpers. Het ging daarbij niet om bijvoorbeeld de 10 miljoen Euro, die in de zomer van 2009 werd neergeteld door HSV voor de spits Magnus Berg van FC Groningen, maar om enkele tienduizenden guldens. Een opkomende ster was destijds de toen 23 jarige Jan Klijnjan die het inmiddels tot international had gebracht. Hij speelde al sinds zijn achtste jaar voor DFC uit Dordrecht en werd in 1968 overgedaan aan Sparta uit Rotterdam.

JAN KLIJNJAN
Zijn ware naam was Jan Teunis Klijnjan en in augustus van het
jaar 1968 maakte hij dus zijn debuut bij Sparta op het toenmalige ‘Kasteel’. Er
zijn nogal wat anekdotes rond Klijnjan te noemen. Zo heeft een keeper van MVV
uit Maastricht geprobeerd een loeiend schot van hem te keren. Hij raakte de bal
nog wel even aan maar brak ook twee vingers. Hij was een rake spits want in de
134 wedstrijden die hij voor Sparta speelde scoorde hij vijf keer. In het
Nederlands Elftal speelde hij elf keer in de periode tussen 1967 tot 1972. Bij
zijn komst naar Sparta was lang niet iedere fan van hem in Dordrecht tevreden.
Zo kwam een fan van Klijnjan naar zijn huis in de Ceramstraat getogen om aan te
bellen bij zijn huis. Toen Klijnjan de deur opende werd door de fan zijn
seizoenskaart van DFC verscheurd. Commentaar destijds van de Sparta spits: ‘Niemand
krijgt me klein, ik ben niet te breken, ik ben namelijk keihard.’ In 1973
verliet Klijnjan Sparta om zijn geluk in Frankrijk te zoeken waar hij tot in
1979 bij de FC Sochaux voetbalde.
Een andere voetballer, die in zijn derde
jaar van zijn loopbaan bij Ajax was, zou enkele jaren later groot geld gaan
verdienen in het buitenland maar diende in 1968 nog een centje bij te verdienen
om zijn dagelijkse uitgaven te kunnen bekostigen. Samen met zijn broer Henny
besloot Johan Cruyff een sportzaak te openen op de Amsterdamse Elandsgracht. Een
sportzaak die nog steeds door zijn broer wordt gedreven. Tijdens de openingsdag
waren er natuurlijk de nodige fotografen die wel een mooi plaatje wilden
schieten van Johan die een klant de schoen paste. Anno 2009 bestaat de zaak nog
steeds.

JOHAN EN HENNY CRUYFF EN TWEE KLANTEN
In Nederland maken we via de krant kennis met de
Vredesstichter Abie Nathan. Hij zou in de daarop volgende decennia volop
zichzelf en zijn projecten in de belangstelling brengen. Overal op de wereld
zette hij zich humanitair in nadat er rampen waren gebeurd maar tevens werd hij
bekend als de man achter het radiostation de Voice of Peace. Om aan gelden te
komen dit station op te richten vanaf een in Nederland aan te schaffen schip,
was hij in 1968 voor het eerst in Groningen waar hij uiteindelijk de MV Cito aan
de Oosterhamrikkade vond. Maar hetzelfde jaar was ook belangrijk voor hem daar
hij de eerste van de vijf trips naar Biafra maakte, een regio in West Afrika,
dat verscheurd werd door een burgeroorlog. Binnen een half jaar slaagde Nathan
erin van landgenoten in Israel en van andere Joodse gemeenschappen uit andere
landen liefst 1,5 miljoen dollar los te peuteren, een voor die tijd enorm hoog
bedrag. Hulpgoederen en medicijnen werden er van aangeschaft en via vijf
transporten naar de hulpbehoevenden in het Afrikaanse land gebracht.
Wat
wordt er wat afgefotografeerd anno 2009. Praktisch iedereen heeft een digitale
camera waar men zonder problemen mee kan raak schieten. Tientallen foto’s achter
elkaar is gebruikelijk om ze later te bewerken op de computer en een definitieve
keuze te maken welke te bewaren. Binnen een paar seconden nadat de foto is
gemaakt kan deze op het schermpje van het digitale toestel al worden bekeken.
Het lijkt allemaal heel gewoon, mede vanwege de snelle ontwikkelingen op het
digitale vlak gedurende pak weg de laatste vijftien jaren. In 1968 was
fotograferen vooral een zaak van zuinig zijn met het schieten van de plaatjes,
immers iedere foto diende te worden ontwikkeld en eventueel te worden afgedrukt.
Je diende heel goed na te denken hoe je een object wilde fotograferen en hoe de
belichting diende te worden ingesteld. Toch was er in 1968 melding te maken van
een voor die tijd toch wel revolutionaire ontwikkeling binnen de foto-industrie:
“Neem een foto en bekijk hem 60 seconden later.” De slogan die gebruikt werd bij
de introductie van de Polaroid camera’s.
Een Polaroid Instant camera
was een camera die direct na het maken van een opname een fotoafdruk leverde. De
camera maakte gebruik van het polaroidprocedé. Door het bedrijf Polaroid,
opgericht door Edwin Land, zijn meerdere procedés ontwikkeld, het originele
stamt uit 1948. De meeste hiervan geven een afgewerkte foto binnen enkele
minuten. Het originele Polaroidprocedé werkt als volgt: na de belichting van de
film wordt er een papier mee in contact gebracht. Tussen papier en film wordt
een pasta uitgespreid van tegelijkertijd ontwikkelaar en oplosmiddel van het
zilverzout. De ontwikkelaar reduceert het belichte zilverzout tot zilver in de
filmlaag. Het oplosmiddel diffundeert in de filmlaag en draagt de niet-gebruikte
ontwikkelaar weg naar het papier. Het papier is geprepareerd met zilverkiemen en
de ontwikkelaar zal nu de zilverionen in aanwezigheid van de kiemen ontwikkelen.
We krijgen dus een positief beeld op het papier, naast het negatiefbeeld op de
film. Gemaakte foto's zijn niet langer houdbaar dan 10 jaar. Latere varianten,
die in 1968 voor het eerst op de markt kwamen, maakten het ook mogelijk
kleurenfoto's te maken, hier wordt niet de ontwikkelaar maar kleurstofkoppelaars
getransporteerd die in het ontvangende papier reageren en daar met kleurstoffen
een positief kleurenbeeld vormen. Een variant hierop is het SX-70-procedé, waar
geen extra papier gebruikt wordt maar de ontwikkelpasta zelf een witte stof
bevat die het uiteindelijke beeld draagt.

Op de dag dat het nieuws bekend wordt gemaakt dat General Motors haar dochteronderneming Opel definitief van de hand deed aan de Canadese-Oostenrijkse onderneming Magna en diens Russische partner Sberbank, viel mijn oog op een advertentie van Opel in de Illustratie, waarin de nieuwste Opel, de Kadett Fastback, werd voorgesteld als de nog even zuinige maar nog sportievere Opel. De advertentie komt uit 1968. De Kadett was in die dagen dan ook de meest zuinige auto die je kon kopen. Ze werden geproduceerd in diverse series tussen 1965 en 1973 en worden door Opel bewonderaars nog steeds gezien als het neusje van de zalm uit die periode. Als het gaat om de verkoopcijfers in Nederland dan kan worden gesteld dat de Volkswagen in 1968 nog steeds de meest verkochte auto was, hoewel het percentage ten opzichte van 1967 wel terugliep en wel van 15,2 naar 14%. De Opels werden vaker verkocht dan in 1967 en haalden een percentage van 13% ten opzichte van 10.9% het jaar ervoor.

In acht delen bracht de NCRV in september en oktober 1968 de serie ‘De Glazen Stad’ op de televisie. Het verhaal van de kweker Job Stein en zijn drie zonen, die een kwekerij in het Westland runden. In een tijd dat de grote steden meer en meer zich uitbreiden en de techniek zich snel ontwikkelde, waarbij Stein aan de ene kant zijn bedrijf graag wilde uitbreiden en ontwikkelen maar aan de andere kant van gemeentezijde geen duidelijkheid kon krijgen omtrent de eventuele uitbreidingsplannen. Met als het eventuele gevolg dat zijn bedrijf daar diende te verdwijnen. Problemen te over, die diep in een mensenleven konden ingrijpen, die opvolgende generaties van elkaar konden vervreemden en die zelden in de minne konden worden opgelost. ‘De Glazen Stad’ was een bewerking van de in 1966 verschenen roman van P.J. Risseuw, een boek dat in de categorie streekroman kan worden gezet. De dialogen in de Glazen Stad waren springlevend en bovendien gaven ze de uiteenlopende karakters scherp omlijnd weer. Afhankelijk probeerde de schrijver zelf het boek te herschrijven in een script voor televisie-uitvoering, maar al vrij snel bleek dan een verhaal op papier zetten gemakkelijker was dan het om te zetten naar het te spelen dialoog. Hij diende vervolgens het niet gemakkelijke besluit te nemen de bewerking aan een ander over te laten.

HUIB ROOYMANS EN IRMGARD KOOTES
Het werd de weloverbekende regisseur Willy van Hemert. Omdat
Van Hemert gedurende de Tweede Wereldoorlog gedurende lange tijd in het Westland
had gewoond, kende hij de streek goed en had zodoende een goede voorsprong en
wist de personen uit het boek op een juiste manier, met indringende gesprekken
en hun zeer persoonlijke karakters, in beeldvorm neer te zetten. Wat wel heel
triest te noemen is, was dat de auteur van het boek een paar dagen voordat de
officiële voorpresentatie van de televisieserie zou plaatsvinden, kwam te
overlijden aan een slopende ziekte. Voor de opnamen van de serie ‘Glazen Stad’
werd er in Studio 1 in Bussum complete kassen gebouwd, gevuld met azalea’s en
tomaten. Daarnaast werd er een ketelhuis, een schuur en een erf gecreëerd. Ter
wille van de authenticiteit werden er trouwens ook veel buitenopnames gemaakt,
ondermeer op het terrein van een tuinder.
Zoals gesteld speelden de
gebeurtenissen in het verhaal zich af binnen het bedrijf van Job Stein, een
godvruchtige, eerlijke harder werker. Hij werd alom geroemd als de beste tuinder
van de streek, die enorm conservatief was ingesteld. Duidelijk moet het zijn dat
hij elke vorm van vernieuwing uit de weg ging en investeringen schuwde. Immers
was de bank er alleen om geld heen te brengen, niet om er kapitaal te lenen.
Zijn oudste zoon trad op een bepaald moment in dienst van een groot
expeditiebedrijf, die het internationale afzetgebied van het Westland bediende.
Het verouderen van zijn vaders bedrijf, waar nog ontzettend veel met de hand
gebeurde, kwam heel duidelijk aan het licht binnen het expeditiebedrijf, waarin
honderden miljoenen per jaar in omging. De tweede zoon wilde vader wel opvolgen,
alleen onder de voorwaarde dat er anderhalve ton zou worden geïnvesteerd, een
voor die tijd zeer fors bedrag. De derde zoon, Huib, zag niets in de overname
van het bedrijf en wilde als chauffeur aan de bak. Zoals in alle families
ontstonden fricties, waarbij ook nog eens een zoon verliefd werd op een Duits
meisje, een dochter van wat eens de vijand was.

PLEUNI TOUW
De hoofdrol van Job Stein werd gespeeld door Johan te Slaa en
de zoons waren in werkelijkheid Huib Rooymans, John Leddy en Hans Boswinkel.
Voor de rol van het Duitse buurmeisje werd de Irmgard Kootes ingehuurd. Weer een
andere rol werd door Pleuni Touw gespeeld. Zoals gesteld, er waren acht
afleveringen, die elk vijftig minuten duurden en een groot deel van het
Nederlandse kijkerspubliek naar de buis trok in 1968. Willy van Hemert zou later
voor de NCRV nog tal van andere series gaan regisseren, waaronder ‘De Kleine
Waarheid’, ‘Bartje’ en ‘Dagboek van een herdershond’. Van de serie De Glazen
Stad’ is weinig materiaal bewaard gebleven. Verschillende delen zijn zoek, en
bij andere delen is het beeld er wel maar ontbreekt het geluid. De muziek voor
de serie werd door Tony Vos gecomponeerd. Tot zover deze aflevering van Media,
Muziek en andere Herinneringen aan 1968. Tot een volgende keer in een ander jaar
vol herinneringen. HANS KNOT